De vrijheid van de partijen bij bemiddeling

Het Belgisch gerechtelijk wetboek omschrijft bemiddeling als een vertrouwelijk en gestructureerd proces van vrijwillig overleg tussen conflicterende partijen met de medewerking van een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige derde die de communicatie vergemakkelijkt en poogt partijen ertoe te brengen zelf een oplossing uit te werken.

Veel van de elementen die we hierin terugvinden, met name de vrijwilligheid, de vertrouwelijkheid, en het gegeven dat de oplossing van de partijen zelf komt, zouden kunnen leiden tot de vaststelling dat, inzake de inhoud van het bemiddeld akkoord enkel vrijheid / blijheid heerst.

Kunnen partijen effectief alles vrij bedingen in het bemiddeld akkoord? Tot spijt van de voorstanders van absolute vrijheid is het antwoord ontkennend. Er zijn een aantal beperkingen aan de vrijheid van de partijen (en van de bemiddelaar).

Vooreerst is er vanzelfsprekend de openbare orde. Partijen mogen geen akkoord sluiten, en de bemiddelaar mag het niet bekrachtigen, indien dat akkoord ingaat tegen de openbare orde. Zo zullen akkoorden die betalingen “in het zwart” inhouden niet door de bemiddelaar worden bekrachtigd.

Bij dit laatste geldt nog een extra bemerking: bemiddelaars moeten tegenwoordig op hun hoede zijn voor gesimuleerde geschillen. Het kan voorkomen dat partijen voorhouden een (fictief) geschil te hebben. Bij de bemiddeling komen ze snel overeen voor de betaling van een geldsom door de ene partij aan de andere. Wanneer de betaling gebeurd is en de fiscus vraagt verantwoording voor de betaling, wordt verwezen naar het bemiddeld akkoord als wettelijke reden voor de betaling. Op deze wijze poogt men dubieuze geldtransacties te camoufleren.

Daarnaast is er nog de vraag naar de mate waarin alle partijen vrij kunnen instemmen met een bereikt akkoord. Uiteraard zal er bijna steeds een vorm van machts-onevenwicht bestaan tussen de partijen. De ene kan al meer alternatieven hebben voor een akkoord dan de andere, of economisch sterker staan. Zolang dit onevenwicht niet inhoudt dat de vrije wil van een partij bij de onderhandelingen niet meer aanwezig is, hoeft dit geen bezwaar te zijn. Volledige gelijkheid tussen partijen zal zelden of nooit bestaan. De ongelijkheid mag echter geen geweld worden waaronder een partij moet toegeven.

Sinds de wet van 6 november 2022 is een paragraaf toegevoegd aan artikel 1734 §1Ger W. die zegt: indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij bedreigingen of enige vorm van druk gebruikt heeft ten aanzien van de andere partij, dan mag de rechter geen bemiddeling bevelen, zonder zich ervan te vergewissen dat die laatste partij daar vrij in toestemt.

Ook bij een buitengerechtelijke bemiddeling zou de rechter, wanneer het akkoord ter homologatie wordt aangeboden, de geweldtoets kunnen doen, en de homologatie weigeren wegens strijdigheid met de openbare orde (art.1733 Ger. W.).

Volgens sommigen zou dat voor de bemiddelaar betekenen dat, zodra hij tijdens de bemiddeling vaststelt dat er sprake is van geweld, bedreigingen of druk, hij dit moet melden aan de rechter (of aan de partijen indien het om een buitengerechtelijke bemiddeling gaat). Hij mag niet doorgaan met bemiddeling zonder uitdrukkelijke vrije toestemming van het slachtoffer. De rechter zou dan

de procedure dienen te volgen om de wens van het slachtoffer te verifiëren buiten aanwezigheid van de andere partij.

Deze stelling is niet zonder kritiek: immers de vertrouwelijkheid van de bemiddeling (ook tegenover de rechter) laat moeilijk toe dat de bemiddelaar aan de rechtbank gaat melden dat naar aanleiding van de bemiddeling het vermoeden is gerezen dat een partij zich schuldig maakt aan bedreigingen tegenover de andere partij.

Veeleer ijkt het mij dat de bemiddelaar zich er moet van vergewissen dat de partij die mogelijks slachtoffer is van bedreigingen in staat- en bereid is de bemiddeling met voldoende wilsvrijheid verder te zetten.

Dirk Van de Gehuchte

Advocaat

Wettelijk erkend bemiddelaar

Collaboratief advocaat