Advies Bemiddelingsprotocol

woensdag 25 maart 2026
Jan Meerts
Bestuurder deontologie, tucht en regulering

Ondertekening bemiddelingsprotocol door advocaat
Beroepsgeheim

Het is niet noodzakelijk dat een advocaat het bemiddelingsprotocol mee ondertekent om gehouden te zijn tot de vertrouwelijkheid van de bemiddeling. Deze vertrouwelijkheid geldt immers van rechtswege en de advocaat heeft bovendien een eigen beroepsgeheim.
1. Vraag

Een advocaat-bemiddelaar vraagt of een advocaat, die een cliënt bijstaat in een bemiddeling, het bemiddelingsprotocol mee moet ondertekenen. De advocaat-bemiddelaar haalt aan dat sommige
advocaten aarzelen omdat zij menen dan mee gehouden te zijn aan de financiële afspraken die hierin gemaakt worden.
Fundamenteler is dat andere advocaten vinden dat het niet nodig is om mee te ondertekenen, gelet op hun beroepsgeheim. In die zin kan de vraag gesteld worden of het beroepsgeheim van de advocaat de wettelijk opgelegde vertrouwelijkheid van de bemiddeling (art. 1728 Ger.W.) dekt en of er scenario’s denkbaar zijn waarbij alsnog informatie uit de bemiddeling tot bij de rechter kan komen in een navolgende procedure, zoals ontwerpen van akkoorden die tussen de advocaten per mail zijn uitgewisseld, de notities van de advocaat van de gesprekken, de samenvattingen die de bemiddelaar mailt aan cliënten met hun raadslieden in cc., of andere.
Deze vraag werd besproken op de commissie deontologie van 5 maart 2026.

2. Advies

Vooreerst is het van belang de bepalingen in verband met het beroepsgeheim nader te bekijken en deze nadien te toetsen aan de vertrouwelijkheidsverplichting van artikel 1728 Ger.W..

2.1. Beroepsgeheim

De advocaat is gehouden tot het beroepsgeheim. Dit beroepsgeheim is anders dan dat de vertrouwelijkheidsplicht in het kader van bemiddeling.
Het beroepsgeheim van de advocaat is een persoonlijke deontologische plicht. Het is van openbare orde maar doel gebonden, in het belang van de cliënt.

Artikel 18 CDA:
De advocaat is gehouden tot het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim strekt zich uit tot alle vertrouwelijke informatie die de advocaat in de uitvoering van zijn opdracht verneemt of vaststelt en geldt onbeperkt in de tijd.

Het beroepsgeheim is echter niet absoluut. Zo oordeelde het Hof van Cassatie dat het geheven kan worden wanneer een hogere waarde ermee in conflict komt en de verdediging van de rechten van de partijen noodzakelijk is. (Cass. 18 januari 2017, P.16.0626.F)
Ook verwijst artikel 458 Sw., naar de mogelijkheid het beroepsgeheim terzijde te laten in het geval de drager van het beroepsgeheim wordt geroepen om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie een getuigenis af te leggen. Bovendien kan vertrouwelijk informatie onder zeer strike cumulatieve voorwaarden door de advocaat aan derden verstrekt worden.

Artikel 19 CDA:
De advocaat mag enkel vertrouwelijke informatie aan de rechtbanken, scheidsgerechten en derden verstrekken voor zover:
– de vrijgave van die informatie relevant is, en
– de vrijgave van die informatie in het belang van de cliënt is , en
– de cliënt akkoord gaat met de vrijgave van die informatie, en
– de vrijgave van die informatie niet wettelijke verboden is.

Wat de vertrouwelijkheid van de bemiddeling betreft, deze heeft een ruimere draagwijdte dan het beroepsgeheim van de advocaat.

 

2.2. Art. 1728 Ger.W.

In artikel 1728 Ger.W. wordt de vertrouwelijkheid van de documenten en mededelingen gedaan in de loop van en ten behoeve van een bemiddelingsprocedure wettelijk verankerd. De vertrouwelijkheid is wederkerig; het geldt voor iedereen in het bemiddelingstraject en is context gebonden.

§ 1. De documenten opgemaakt en de mededelingen gedaan in de loop van en ten behoeve van een bemiddelingsprocedure zijn vertrouwelijk. Zij mogen niet worden aangevoerd in enige gerechtelijke, administratieve of arbitrale procedure of in enige andere procedure voor de oplossing van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis.
Behoudens schriftelijk uitgedrukte andersluidende wil van de partijen, vallen het bemiddelingsprotocol en het (de) door de partijen ondertekende bemiddelingsakkoord(en) alsook het eventuele document opgesteld door de bemiddelaar dat het feit van de mislukking van de bemiddeling vaststelt, niet onder deze vertrouwelijkheidsplicht. Daarnaast kan de vertrouwelijkheidsplicht, met schriftelijke instemming van de partijen, en binnen de grenzen die zij bepalen, worden opgeheven. Omgekeerd kunnen de partijen, in onderling akkoord en op schriftelijke wijze, documenten of mededelingen daterend van vóór de aanvang van het bemiddelingsproces vertrouwelijk maken.

§ 2. Onverminderd zijn wettelijke verplichtingen, mag de bemiddelaar de feiten waarvan hij uit hoofde van zijn ambt kennis krijgt, niet openbaar maken. Hij mag door de partijen niet worden opgeroepen als getuige in een burgerrechtelijke, administratieve of arbitrale procedure met betrekking tot de feiten waarvan hij kennis heeft genomen in de loop van zijn bemiddeling. Hij mag evenmin de reden van de mislukking van deze vorm van minnelijke conflictoplossing onthullen, ook niet aan de rechter of arbiter bij wie een geschil tussen de partijen van de bemiddeling aanhangig is gemaakt.

Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bemiddelaar.

§ 3. In het kader van en ten behoeve van zijn opdracht kan de bemiddelaar, met instemming van de partijen, de derden horen die daarmee instemmen of, wanneer de complexiteit van de zaak zulks vereist, een beroep doen op de diensten van een deskundige in het desbetreffende domein. Zij zijn gehouden tot de vertrouwelijkheidsplicht bedoeld in paragraaf 1, eerste lid. Paragraaf 2 is van toepassing op de deskundige.

§ 4. Bij schending van de vertrouwelijkheids- of geheimhoudingsplicht door degenen die daartoe gehouden zijn krachtens deze bepaling, doet de rechter of arbiter in billijkheid uitspraak over de eventuele toekenning van schadevergoeding, en over de omvang ervan.
Vertrouwelijke documenten en mededelingen die desondanks zijn meegedeeld of waarop een partij steunt in strijd met de vertrouwelijkheidsplicht, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

Het Hof van Cassatie bevestigde in een recent arrest (Cass. 1 december 2025, C.24.0032.N) een strikte lezing van artikel 1728, §1 Ger.W.:

“De documenten opgemaakt en de mededelingen gedaan in de loop van en ten behoeve van een bemiddelingsprocedure zijn vertrouwelijk. Zij mogen niet worden aangevoerd in enige gerechtelijke, administratieve of arbitrale procedure en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis.”

De uitzonderingen zijn vervolgens opgesomd:

– Het bemiddelingsprotocol
– Het (de) door partijen ondertekende bemiddelingsakkoord(en)
– Het document van de bemiddelaar dat de mislukking van de bemiddeling vaststelt
– Wanneer partijen gezamenlijk en schriftelijk hebben beslist om (een deel van) die vertrouwelijkheid op te heffen

Alles wat dus niet onder deze uitzonderingen valt, blijft vertrouwelijk.

 

2.3. Besluit

Bij samenlezen van het beroepsgeheim van de advocaat en de bepalingen in verband met de vertrouwelijkheid in het kader van de bemiddeling, kom ik tot de conclusie dat het niet noodzakelijk is dat een advocaat het bemiddelingsprotocol mee ondertekent om gehouden te zijn tot de vertrouwelijkheid van de bemiddeling. Deze wettelijk opgelegde vertrouwelijkheid geldt immers van rechtswege, ook zonder de ondertekening van het protocol. De advocaat heeft bovendien ook nog een eigen beroepsgeheim.
Daar waar de advocaat een beperkte mogelijkheid zou hebben tot het doorbreken van zijn beroepsgeheim, geldt de vertrouwelijkheid van artikel 1728 Ger.W. onverkort, behoudens de daarin vermelde uitzonderingen, die eigen zijn aan de bemiddelingsprocedure.
Wanneer de advocaat het bemiddelingsprotocol toch mee ondertekent, verbindt hij zich uiteraard niet, hij is immers geen partij. De medeondertekening van het bemiddelingsprotocol door een advocaat kan wel een symbolische en engagementsversterkende waarde hebben.