Bemiddeling geniet het vertrouwen van de “vertrouwelijkheid”

Elke bemiddeling is gestoeld op twee basisprincipes :  vrijwilligheid en vertrouwelijkheid.

Vrijwilligheid is de allereerste basis om een bemiddeling aan te vangen en dit principe blijft gehandhaafd gedurende de volledige duur van het bemiddelingstraject.

Dit betekent dat elke partij op elk ogenblik een einde kan maken aan de bemiddeling zonder dat deze beslissing tegen deze partij kan gebruikt worden.

Door de vertrouwelijkheid zijn de bemiddelaar en de partijen gebonden door een geheimhoudingsplicht.

Alles wat tijdens een bemiddeling besproken wordt valt onder de vertrouwelijkheid, met inbegrip van de gespreksverslagen, overhandigde documenten, overeenkomsten en zelfs het resultaat van de bemiddeling.

Deze twee basisprincipes werden door de Belgische wetgever vastgelegd in de artikelen 1728 en 1729 van het Gerechtelijk Wetboek.

In de zoektocht naar de meest geschikte manier om een conflict op te lossen wordt vaak voorbijgegaan aan het voordeel van de vertrouwelijkheid van een bemiddeling.

Een gerechtelijke procedure vereist steeds een voorzichtige evenwichtsoefening tussen, enerzijds, de beginselen van tegenspraak en de openbaarheid van terechtzittingen en ,anderzijds, het recht op eerbiediging van het privéleven van natuurlijke personen en van rechtspersonen, dat ook de bescherming van bedrijfsgeheimen omvat. (Cass. 2 november 2012, Arr. Cass. Afl. 11, 2397, JT 2013,174)

In het geval van bedrijfsgeheimen heeft de wetgever voorzien in een complex beschermingsmechanisme om de vertrouwelijkheid te waarborgen van bepaalde stukken conform de bepalingen van artikel 871bis §1 en §2 van het Gerechtelijk Wetboek.

In alle andere gevallen primeert het principe van de openbaarheid van de procedure en de rechten van de verdediging.

De openbaarheid van procedure kan vaak een ernstig beletsel vormen om een sluimerend conflict aan te pakken, waardoor partijen uiteindelijk eindigen in een harde confrontatie.

Bemiddeling biedt het absolute voordeel dat elk der partijen stukken en informatie kunnen aanreiken die ten allen tijde beschermd blijven door de vertrouwelijkheid.

 

Medvocat kwam tussen tvv de familiale bemiddelaars-advocaten

Medvocat kwam tussen ten voordele van de familiale bemiddelaars-advocaten

Op heden doet zich nog steeds een anomalie voor met betrekking tot de btw-vrijstelling voor familiale bemiddeling. Immers, familiale bemiddelaars kunnen van deze vrijstelling genieten terwijl familiale bemiddelaars-advocaten hiervan niet zouden kunnen genieten.

Medvocat heeft dit aangekaart bij het Bureau van de Federale Bemiddelingscommissie met de vraag tussen te komen bij de Minister van Financiën. De Federale Bemiddelingscommissie heeft op haar beurt de BTW-administratie en de Minister van Financiën hieromtrent aangeschreven. Wij wachten op verder nieuws maar houden de betrokkenen zeker op de hoogte.

Dirk Van de Gehuchte
Advocaat – erkend bemiddelaar
Voorzitter Medvocat

De rechtsbijstandsverzekering

De rechtsbijstandsverzekering moet ook de vrije keuze van raadsman eerbiedigen in geval van bemiddeling

Het Grondwettelijk Hof diende zich uit te spreken over een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen artikel 2 van de Wet van 9 april 2017 tot wijziging van de Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. Het beroep tot nietigverklaring tegen deze wet werd ingesteld in zoverre de wet het recht op de vrije keuze van een raadsman door de verzekerde die ervoor kiest beroep te doen op een bemiddeling, niet garandeert in het kader van een rechtsbijstandsverzekering.

Het Grondwettelijk Hof heeft op zijn beurt op 11 oktober 2018 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze vraag luidde “Dient het begrip gerechtelijke procedure in artikel 201, 1°, a), van de richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf zo te worden uitgelegd dat er onder de buitengerechtelijke en gerechtelijke bemiddelingsprocedures, zoals geregeld in de artikelen 1723/1 tot 1737 van het Belgisch Gerechtelijk Wetboek zijn begrepen?”.

In zijn arrest van 14 mei 2020 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie deze vraag bevestigend beantwoord. Het Europese Hof stelt dat zowel voor de gerechtelijke als de buitengerechtelijke bemiddeling de vrije keuze van raadsman moet spelen, onder meer na te hebben vastgesteld dat “het akkoord dat de partijen hebben gesloten, ongeacht of het voortvloeit uit een gerechtelijke dan wel een buitengerechtelijke bemiddeling, tot gevolg heeft dat de bevoegde rechterlijke instantie dit akkoord homologeert, daaraan gebonden is, en dat bedoeld akkoord, nadat het uitvoerbare kracht heeft verkregen, dezelfde gevolgen heeft als een vonnis.”. Het Hof stelt daarbij ook dat de beginselen inzake rechtsbijstandsverzekering zoals opgenomen in de richtlijn 2009/138/EG rechten van de verzekerden inhoudt, ruim moeten worden geïnterpreteerd. Het zou volgens het Hof incoherent zijn indien de Europese Unie enerzijds het gebruik van bemiddelingsprocedures zou aanmoedigen en anderzijds de rechten zou beperken van rechtzoekenden die besluiten om een beroep te doen op methodes van alternatieve geschillenbeslechting.

Het recht op vrije keuze van raadsman mag op geen enkele manier beperkt of beïnvloed worden. Zo mag een verzekeraar bijvoorbeeld niet voorzien in een hogere tussenkomst wanneer een raadsman gekozen wordt uit een door de verzekeraar voorgestelde lijst dan wanneer die van buiten de lijst gekozen wordt.
Ook bij bemiddeling moet de rechtsbijstandsverzekeraar dus de vrije keus van raadsman eerbiedigen.

Dirk VAN DE GEHUCHTE
Advocaat – Portelio Advocaten

De rol van de (partij)advocaat bij de bemiddeling

De rol van de (partij)advocaat bij de bemiddeling

Het is een misvatting te denken dat éénmaal partijen gekozen hebben voor bemiddeling als weg naar een oplossing voor hun geschil, de verdere tussenkomst van de advocaten van deze partijen overbodig zou zijn.

Zowel voor, tijdens, als na de bemiddeling kan een belangrijke rol weggelegd zijn voor de partij-advocaat.

 

Voor de bemiddeling

Voorafgaand aan de bemiddeling zal de partij-advocaat vooreerst zijn cliënt informeren wat bemiddeling precies inhoudt. Vervolgens zal hij samen met de cliënt nagaan of bemiddeling in het geschil mogelijk is (in sommige gevallen is het geschil niet vatbaar voor bemiddeling bijvoorbeeld wanneer de openbare orde in het spel is). Indien het geschil vatbaar is voor bemiddeling zal nagegaan worden of bemiddeling ook aangewezen is. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat, wanneer een partij regelmatig geschillen heeft rond hetzelfde voorwerp, het aangewezen is een vonnis te bekomen omwille van de precedentswaarde.

Wanneer het geschil vatbaar is voor bemiddeling en het ook aangewezen is de weg van de bemiddeling te volgen teneinde tot een oplossing te komen, zal de advocaat zijn cliënt bijstaan bij de keuze van een bemiddelingsorganisatie en/of een bemiddelaar.

Eenmaal partijen het eens zijn over de persoon van de bemiddelaar zal, voorafgaand aan de installatievergadering, de partij-advocaat met zijn cliënt de bemiddeling inhoudelijk voorbereiden en de nodige afspraken maken over het verloop van de bemiddeling. Zo is het belangrijk afspraken te maken omtrent risicobereidheid, het bepalen van een keerpunt waarop men zich uit de bemiddeling zal terugtrekken en de prioriteiten welke voor de cliënt gelden. Even goed is het belangrijk dat de partijen en hun advocaat zich bewust zijn welke de beste alternatieve oplossing is als de bemiddeling faalt (BATNA) en welke de slechtste alternatieve oplossing is als de bemiddeling faalt (WATNA). De advocaat zal met zijn cliënt een checklist afwerken (zie Praktische Gids Bemiddeling en Collaboratieve Onderhandeling, Dirk Van de Gehuchte e.a., Story Publishers, 2019, p. 241 e.v.).

 

Tijdens de bemiddeling

De actieve rol van de advocaat tijdens de bemiddeling zal mede afhangen van de aard van de bemiddeling. We kunnen stellen dat er zoveel soorten bemiddeling zijn als er partijen en bemiddelaars bestaan. We maken bijvoorbeeld onderscheid tussen transformatieve bemiddelingen, narratieve bemiddelingen, integratieve bemiddelingen en bemiddelingen gebaseerd op beredeneerde onderhandeling. De twee eerstgenoemde types (transformatieve en narratieve bemiddeling) zal men eerder aantreffen bij familiale bemiddelingen. Hierbij is het dikwijls van groot belang dat de partijen zelf “hun zeg kunnen doen”. De verbale tussenkomt van de partij-advocaat tijdens dit soort bemiddeling zal dan ook vaker beperkt zijn. Dit wil niet zeggen dat hij geen belangrijke inbreng kan hebben. Op de gepaste momenten, en met de nodige terughoudendheid zal de partij-advocaat tussenkomen daar waar volgens hem of haar de belangen van de cliënt dreigen geschaad te worden. Ook in commerciële geschillen is het belangrijk dat vooral de partijen kunnen communiceren. De rol van emoties mag in geen enkel soort geschil onderschat worden. Ook hier zal de partij-advocaat derhalve met gepaste terughoudendheid tussenkomen tijdens de bemiddeling, wat niet wil zeggen dat hij zich monddood moet laten maken of dat hij niet zou kunnen tussenkomen wanneer één en ander volgens hem de verkeerde weg op gaat.

 

Na de bemiddeling

Ook na de bemiddeling blijft er een belangrijke rol weggelegd voor de partij-advocaat. In geval de bemiddeling niet, of niet volledig slaagt zal hij zijn cliënt dienen te informeren over de verder te nemen stappen en hem hierbij begeleiden. In geval van een -al dan niet gedeeltelijk- akkoord, zal de partij-advocaat samen met de partij-advocaat van de andere partij instaan voor de redactie van het bemiddelingsakkoord.

Zo nodig zal de partij-advocaat ook de nodige tussenkomsten verlenen om het bemiddeld akkoord te laten uitvoeren. De praktijk leert evenwel dat wanneer de partijen een akkoord bereikt hebben, een gedwongen tenuitvoerlegging uiterst zelden noodzakelijk is. Meestal gaan partijen vrijwillig over tot de uitvoering van “hun” akkoord.

 

Dirk Van de Gehuchte
Advocaat – Erkend Bemiddelaar
Portelio Advocaten

Mediatie: de cijfers

Iedereen vindt bemiddeling een fantastische oplossing om een conflict op te lossen, en toch slaat dit nog weinig aan. Ik maak een uitzondering voor familierecht waar bemiddeling wel een vaste grond heeft gekregen. Maar voor de oplossing van andere conflicten is de reflex bij de mensen toch nog altijd om naar de rechtbank te stappen en daar oeverloos procedure te voeren.

Waarom lukt bij ons niet wat wel lukt in bijvoorbeeld Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk?  Ik heb het gevoel dat de magistratuur hier een rol in zou kunnen spelen.. willen magistraten vooral vonnissen schrijven en hebben ze niet graag dat het conflict, voorwerp van het geschil, aan hen onttrokken wordt en door iemand anders wordt “opgelost”?

Zonder twijfel is er binnen de magistratuur ook een ‘nouvelle vague’ die vindt dat bemiddeling een parallel en gelijkwaardig model is om geschillen tot een goed einde te brengen.

Een voorbeeld hiervan is de Bemiddelingskamer die recent is geïnstalleerd bij de Ondernemingsrechtbank te Gent. De Bemiddelingskamer krijgt op de inleidingszitting van de Ondernemingsrechtbank zaken doorgestuurd die voor bemiddeling vatbaar zijn. Er wordt aan de partijen gevraagd om persoonlijk naar de zitting te komen en er wordt uitgelegd hoe een bemiddeling werkt en indien de partijen dat zien zitten wordt ook onmiddellijk een bemiddelaar aangesteld.

Deze oplossing is nu mogelijk geworden omdat de wet voorziet dat de rechter met een iets “hardere hand” de partijen richting bemiddeling kan duwen.

Een ander element dat bemiddeling soms kan bemoeilijken, is de houding van de advocaten zelf, die een vraag tot bemiddeling als een zwaktebod zien, of erger nog als tijdverlies die een procedure alleen maar zal verlengen.

Hier kan de opleiding bemiddeling in helpen, advocaten die dergelijke opleiding gevolgd hebben beseffen veel beter dat het zoeken naar een bemiddelde oplossing eerder een sterktebod is en van de cliënt een tevreden persoon maakt wanneer het akkoord tot stand komt.

Nu veel meer advocaten de basisopleiding bemiddeling volgen, ook zonder later zelf bemiddelaar te worden, is bemiddeling als alternatief traject in de toekomst beter bespreekbaar en zal ook het aantal bemiddelingen toenemen.

Een handige manier om bemiddeling bespreekbaar te maken, is de opname van een mediatieclausule in contracten. Meer en meer advocaten hebben de gewoonte om in elke overeenkomst die via hun kantoor passeert een mediatieclausule voor te stellen, en meestal wordt die ook aanvaard. Het zou een reflex moeten zijn van elke advocaat die bij een de redactie van contracten betrokken is om –waar mogelijk- mediatieclausules voor te stellen, ook in huurcontracten en waarom niet in verzekeringscontracten.

We kennen bij ons nog geen echte toetsing van deze clausules. Bepaalde rechtspraak in Nederland en Duitsland verwerpt die mediatieclausules zodra één van de partijen duidelijk meldt dat hij niet in bemiddeling geïnteresseerd is. Afwachten wat de Belgische rechter hierover zal beslissen.

Graag vermeld ik nog een interessante statistiek uit Nederland. Daar is met statistiek onderzoek vastgesteld dat bemiddeling in 64% van de gevallen wordt ingeleid op initiatief van de rechter, en slechts in 11% van de gevallen op initiatief van de partijen zelf. Dit toont nog eens hoe belangrijk het is dat de magistratuur bemiddeling begrijpt en ondersteunt en als een volwaardig alternatief voorstelt.

Uit dezelfde statistiek: leren we dat 40% van de bemiddelingen betrekking hebben op familierecht, en slechts 23% gaat over contractenrecht, huur, bedrijfsconflicten, enz.

En dan nog een interessant cijfer: 57% van de bemiddelingen resulteert in een volledig akkoord, 48 % in een gedeeltelijk akkoord en 37,5% mislukt. Dit zijn absoluut geen slechte cijfers, die aantonen dat bemiddeling een daadkrachtig en geloofwaardig alternatief is van geschillenoplossing.

In de UK zijn de cijfers nog indrukwekkender.

Volgens een onderzoek uitgevoerd door het Centrum voor Effectieve Geschillenoplossing (CEDR) werden er in het jaar 2018 in totaal 12.000 bedrijfsmediaties uitgevoerd, wat 20% meer is dan in 2016. Er werd bemiddeld over een totale portefeuille van 1,5 miljard pond.

De succesratio is ronduit indrukwekkend. In 64% van de dossiers wordt er een akkoord bereikt, en in 15% van de dossiers komt er kort na de mediatie een akkoord tussen de partijen zelf tot stand.

Ook in Duitsland wordt bemiddeling als een volwaardig alternatief voor procesvoering geaccepteerd, zowel voor bedrijfsconflicten als in familiezaken. Van de zaken die door de rechtbank worden doorgestuurd voor bemiddeling keert 2/3 terug omdat de partijen niet akkoord gaan, 1/3 raakt wel tot bemiddeling, en van die groep bereikt 63,8% na het einde van de bemiddeling een akkoord.

Allemaal hoopvolle cijfers die ons moeten motiveren om bemiddeling in België verder te blijven promoten.

Johan Ghekiere

Advocaat – Erkend Bemiddelaar
december 2019

Gewone verblijfsgebonden en verblijfsoverstijgende kosten voor kinderen

Gewone verblijfsgebonden en verblijfsoverstijgende kosten voor kinderen en wijzigingen in de bijdragen in de buitengewone kosten voor kinderen door de Wet van 21 december 2018 en het Koninklijk Besluit van 22 april 2019 tot vaststelling van de buitengewone kosten die voortvloeien uit art. 203 § 1 van het Burgerlijk Wetboek en de wijze van tenuitvoerlegging ervan (B.S. 02.05.2019)

In de wet van 19 maart 2010 (B.S. 21.04.2010) tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen was in art. 15 voorzien in de vervanging van art. 1322 Ger. W. Het artikel voorziet in de oprichting van een commissie voor onderhoudsbijdragen.

De commissie heeft als taak aanbevelingen op te stellen voor de begroting van de kosten voortvloeiende uit artikel 203 § 1 van het Burgerlijk Wetboek en de vaststelling van de bijdrage van elk van de ouders overeenkomstig artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek.

“De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de commissie (…)” bepaalt § 2 van het genoemde art. 1322 Ger. W., wat gebeurde bij Koninklijk Besluit van 7 februari 2014 (B.S. 17.03.2014).

In haar jaarverslag, goedgekeurd op de Algemene Vergadering van de Commissie van 16 juni 2017, geeft de commissie haar eerste aanbevelingen.

Een link naar het jaarverslag kan alhier gevonden worden :

https://justitie.belgium.be/nl/themas_en_dossiers/kinderen_en_jongeren/afstamming/commissie_voor_onderhoudsbijdragen

 

Gewone kosten

In haar advies verwijst de Commissie vooreerst naar een lacune in de wetgeving, die het begrip verblijfsoverstijgende kosten niet definieert. Zij stelt :

“De gewone kosten van kinderen kunnen opgedeeld worden in twee belangrijke groepen : de verblijfsgebonden kosten en de verblijfsoverstijgende kosten. De Commissie vraagt bijzondere aandacht voor deze opdeling, zeker in situaties van verblijfsregelingen van gelijkmatige huisvesting. 

 De belangrijkste verblijfsgebonden kosten zijn huisvesting, energie, voeding en lichaamsverzorging. Deze kosten worden door elke ouder gedragen in natura tijdens de periode dat de kinderen bij hem of haar verblijven. Ze staan dus – op de huisvestingskost na – direct in verhouding tot de verblijfsregeling. Voor de huisvestingskost geldt een specifieke regeling. Zodra een kind substantieel en op regelmatige basis (zodat het niet kan ‘kamperen’) bij een ouder verblijft, kunnen we stellen dat er een gelijkaardige woonkost is bij beide ouders omdat de afbetaling of huur en het onderhoud verder lopen in de periodes dat de kinderen niet in het huis verblijven, tenzij de kinderen zeer beperkt bij een ouder verblijven.

 De verblijfsoverstijgende kosten staan los van de gekozen verblijfsregeling en omvatten bijvoorbeeld volgende kosten : kleding en schoenen, gezondheidszorg, vervoer, communicatie, cultuur en ontspanning. Maar ook kosten voor kinderopvang en onderwijs zijn verblijfsoverstijgend. De verblijfsoverstijgende kosten worden niet noodzakelijk door de beide ouders gedragen in verhouding tot de verblijfsregeling, maar volgens onderling akkoord of volgens een beslissing van de rechter. De Commissie wijst er op dat de verblijfsoverstijgende kosten vaak gedragen worden door de ouder bij wie de kinderen gedomicilieerd zijn, meestal de onderhoudsgerechtigde ouder. De ouder die onvoldoende in natura bijdraagt in de verblijfsgebonden en/of verblijfsoverstijgende kosten, moet dit compenseren via de onderhoudsbijdragen, en/of langs een aangepaste verdeelsleutel van de verblijfsoverstijgende kosten.

Verblijfsoverstijgende kosten zijn dus net als verblijfsgebonden kosten gewone kosten. Art. 203bis B.W. (ingevoegd door de Wet van 19 maart 2010) definieert gewone kosten als alle gebruikelijke kosten met betrekking tot het dagelijkse onderhoud van het kind.”

Alle wetswijzigingen ten spijt, heeft de wetgever deze lacune nog steeds niet ingevuld.

In de bemiddelingspraktijk wordt reeds vaak rekening gehouden met een opsplitsing van de verblijfs- en opvoedingskosten in 3 categoriën : de gewone verblijfsgebonden kosten, de gewone verblijfsoverstijgende kosten en de buitengewone kosten, waarbij voor de gewone verblijfsoverstijgende kosten vaak met een kindrekening wordt gewerkt.

 

Buitengewone kosten

De Commissie adviseerde verder een harmonisering (bijna alle familierechtbanken hebben een eigen lijst ontwikkeld van wat zij onder ‘buitengewone kosten’ begrijpen) en een definiëring van de buitengewone kosten, nu de algemene definitie (“de uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorzienbare uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijke budget voor het dagelijkse onderhoud van het kind dat desgevallend als basis diende voor de vaststelling van de onderhoudsbijdragen, overschrijden”) in de praktijk moeilijk hanteerbaar is.

De wetgever opteerde er in de Wet van 21 december 2018 (art. 125) voor om een gedetailleerde omschrijving van de buitengewone kosten niet in de wet zelf op te nemen, doch dit bij Koninklijk Besluit te regelen, wat – desgewenst – een snellere aanpassing moet mogelijk maken.

Dit Koninklijk Besluit van 22 april 2019 werd ondertussen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 mei 2019 en definieert  in art. 1 de buitengewone kosten als volgt :

“Behoudens andersluidende overeenkomst of rechterlijke beslissing, zijn de buitengewone kosten, bedoeld in artikel 203bis, § 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, beperkt tot de volgende kosten:

1° de volgende medische en paramedische kosten:


  1. a) de behandelingen door artsen-specialisten en de medicaties, gespecialiseerde onderzoeken en verzorging die zij voorschrijven;

  2. b) de kosten van heelkundige ingrepen en van hospitalisatie en de specifieke behandelingen die eruit voortvloeien;

  3. c) de medische en paramedische kosten en hulpmiddelen waaronder orthodontie, logopedie, oftalmologie, psychiatrische of psychologische behandeling, kinesitherapie, revalidatie, prothesen en apparaten, met name de aankoop van een bril, een beugel, contactlenzen, orthopedische zolen en schoenen, hoorapparaten en een rolstoel;

  4. d) de jaarlijkse premie van een hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering die de ouders of één van hen moeten betalen. De premie moet betrekking hebben op de kinderen;


en dit:

– voor zover de kosten bedoeld onder a), b) en c) voorgeschreven zijn door een bevoegde arts of instantie;

 en
– onder aftrek van de tussenkomst van het ziekenfonds, van een hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering.


2° de volgende kosten betreffende de schoolse opleiding :


  1. a) meerdaagse schoolactiviteiten tijdens het schooljaar zoals ski-, zee- en bosklassen, school- en studiereizen en stages;

  2. b) noodzakelijk gespecialiseerd en kostelijk studiemateriaal en/of schoolkledij, aan speciale taken verbonden, die vermeld staan op een lijst die de onderwijsinstelling aflevert;

  3. c) het inschrijvingsgeld en de cursussen voor hogere studies en bijzondere opleidingen alsook niet gesubsidieerd onderwijs;

  4. d) de aankoop van informatica-apparatuur en printers met de softwareprogramma’s die voor de studie noodzakelijk zijn;

  5. e) de bijlessen die het kind moet volgen om in zijn schooljaar te slagen;

  6. f) de kosten verbonden aan de huur van een studentenkamer;

  7. g) bijkomende specifieke kosten verbonden aan een buitenlands studieprogramma;
    na aftrek van eventuele school- en studietoelagen en andere studiebeurzen.


3° de volgende kosten verbonden aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid en ontplooiing van het kind, nl.:


  1. a) kosten voor kinderopvang voor kinderen van 0 tot en met 3 jaar;

  2. b) lidgeld, basisbenodigdheden en kosten voor kampen en stages in het kader van culturele, sportieve of artistieke activiteiten;

  3. c) inschrijvings– en examengeld voor de rijopleiding en de theoretische en praktische examens voor een rijbewijs voor zover dit niet kosteloos langs de school kan behaald worden maar via een rijschool moet gebeuren;


4° Alle overige kosten die de ouders in een gezamenlijk akkoord als buitengewoon benoemen of die als zodanig door de rechter gekwalificeerd worden.”

Zowel in zijn aanhef als onder 4° benadrukt het K.B. dat zowel de rechter als partijen van de opsomming kunnen afwijken.

In art. 2 bepaalt het K.B. dat, behalve in het geval van hoogdringendheid of bewezen noodzakelijkheid, alle buitengewone kosten opgesomd in art. 1, het voorwerp moeten uitmaken van een voorafgaand overleg en akkoord, zowel wat de opportuniteit van de uitgave betreft als de hoogte ervan.

Ook hier volgde de wetgever het advies van de Commissie niet. De Commissie voorzag de noodzaak van voorafgaand overleg en akkoord enkel voor de kosten verbonden aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid en de ontplooiing van het kind.

De veralgemening van het voorafgaand overleg en akkoord tot alle kosten, dreigt contraproductief te zullen uitvallen. Het kan voor een ouder volstaan om systematisch te weigeren zijn akkoord te geven met een voorgestelde buitengewone kost om de andere ouder telkens opnieuw te verplichten de kwestie voor te leggen aan de Familierechtbank.

Wat een voorafgaand overleg en akkoord precies inhoudt, werd dan weer in de Wet voorzien (art. 203bis § 3, 4e lid B.W., gewijzigd door het genoemde art. 125 van de Wet van 21 december 2018) :

“In de gevallen waarin buitengewone kosten het voorwerp moeten zijn van een voorafgaand overleg en een uitdrukkelijk voorafgaand akkoord, behalve in geval van hoogdringendheid en overmacht, is aan de vereiste van een uitdrukkelijk voorafgaand akkoord voldaan wanneer de ouder aan wie het verzoek tot akkoord wordt gericht bij aangetekende zending, elektronische aangetekende zending of faxbericht, nalaat hierop op dezelfde wijze te reageren binnen eenentwintig dagen, te rekenen van de dag na de verzending. Als het verzoek tijdens de schoolvakanties van minstens één week of meer geformuleerd is, wordt deze termijn tot dertig dagen verlengd.”

 Tenslotte bepaalt het K.B. in zijn art. 3 de wijze en periodiciteit van afrekening als volgt :

§ 1. Behoudens andersluidende overeenkomst of rechterlijke beslissing, dienen de buitengewone kosten :

– driemaandelijks te worden afgerekend;

– vergezeld te gaan van een kopie van de bewijsstukken door de ouder die de betaling vraagt;

en
– te worden betaald binnen de vijftien dagen na de mededeling van de afrekening vergezeld van de bewijsstukken.


  • 2. De ouder die de school- en studietoelagen en/of andere studiebeurzen, een tussenkomst van het ziekenfonds, hospitalisatieverzekering of een andere aanvullende verzekering ontvangt of geniet, bezorgt van zodra deze voorhanden zijn en minstens jaarlijks in de maand september een overzicht van alle ontvangen bedragen samen met een kopie van de bewijsstukken.

 

Conclusie

De harmonisering en definiëring van het begrip “buitengewone kosten” is op zich voor de rechtszekerheid een goede zaak.

De definiëring en de lijst is evenwel noch voor partijen, noch voor de Rechter een verplichting, zodat maatwerk in het kader van bemiddeling mogelijk blijft.

De wetgever volgde het advies van de Commissie niet in het definiëren van de begrippen “gewone verblijfsgebonden kosten” en “gewone verblijfsoverstijgende kosten”. Het zou nochtans aanbeveling verdienen dat deze begrippen, die in de familiale bemiddelingswereld reeds lang hun ingang hebben gevonden, ook in de wet en bijgevolg in de rechtspraak hun intrede zouden doen. Verblijfsgebonden kosten worden immers vaak door de ouders in natura voldaan, terwijl voor verblijfsoverstijgende kosten vaak een aparte regeling nodig is (bijv. via een kindrekening).

Tenslotte lijkt de keuze van de wetgever om, in tegenstrijd met het advies van de Commissie, alle buitengewone kosten het voorwerp te laten uitmaken van voorafgaand overleg en akkoord, veeleer de blokkerende ouder te bevoordelen.

 

Frank Van Oyen
Advocaat – Erkend Bemiddelaar
7 mei 2019

E-Mediation: Geschillenbemiddeling vanop afstand

Geschillenbemiddeling vanop afstand: het kan vaak, en het is soms zelfsaangewezen

Beweren dat bemiddeling kan via internet, via e-mail, was lang een beetje zoals het vloeken in een kerk. Heel wat bemiddelaars zouden onmiddellijk opstaan om er de snoodaard die beweerde dat je kon bemiddelen vanop afstand op te wijzen dat een groot deel van onze communicatie (ergens tussen de 80% en 90%) niet verbaal verloopt en dat je die non-verbale communicatie dus compleet misloopt als je de partijen niet samenbrengt. Anderen zullen er dan weer op wijzen dat e-mails vaker een bron zijn van conflicten dan van conflictoplossing. Ze worden immers opgesteld met het gemak van een verbale communicatie, maar ze hebben de impact van een schriftelijke communicatie.

Ik spreek geen van beide opmerkingen tegen, maar toch weerhouden ze mij niet om e-mediation of bemiddeling via internet of e-mail als een waardevolle tool aan mijn instrumentarium als bemiddelaar toe te voegen.

Het argument dat bij e-mediation de non-verbale communicatie verloren gaat zie ik niet noodzakelijk als een hinderpaal. Integendeel, de non-verbale communicatie van partijen drukt dikwijls heel negatieve gevoelens uit, zoals woede, rancune, wantrouwen, … allemaal gevoelens die de evolutie van een bemiddeling negatief kunnen beïnvloeden. Bovendien stelt zich de vraag of je al die communicatie wel nodig hebt. Vergelijk het met een computerprogramma. Ik gebruik misschien geen 10% van Outlook, maar hetgeen ik gebruik beantwoordt perfect aan wat ik nodig heb.

Dat mails al dikwijls aanleiding gegeven hebben tot conflicten omdat de zaken daarin scherper verwoord worden dan in een gewone schriftelijke communicatie of dan in een verbale communicatie, zal ik evenmin betwisten. Dit is de reden waarom een e-mediation asynchroon doorgaat. Ik verklaar mij nader: tijdens een e-mediation is het aan de partijen niet toegelaten rechtstreeks naar elkaar te mailen. Elke partij mailt naar de bemiddelaar, die op zijn beurt de boodschap overbrengt aan de andere partij, maar dan wel dikwijls geherformuleerd, zodanig dat te scherpe bewoordingen worden weggelaten. Voor dat herformuleren vraagt de bemiddelaar telkens toelating aan de partij over wiens boodschap het gaat. Op die manier ontstaan ook geen misverstanden. Door de asynchrone communicatie leert de bemiddelaar over de gevoelens van de partijen (hij houdt als het ware een permanente caucus), terwijl de partijen zelf door de repliek op hun communicatie die zij van de bemiddelaar krijgen, oplossingsgerichter gaan communiceren wat ze dan alweer dichter bij elkaar brengt.

Natuurlijk is e-mediation geen alleen zaligmakende techniek maar er zijn wel vele voordelen:

  • Een via e-mediation bereikt akkoord dat begeleid is door een erkende bemiddelaar, heeft evenveel waarde als een bemiddeld akkoord dat langs de klassieke weg bereikt is. Er zijn geen verschillen, ook niet op het vlak van afdwingbaarheid.
  • De bemiddelingsprocedure via e-mediation beschermt partijen op dezelfde wijze (onder meer inzake verjaring) als een klassieke bemiddelingsprocedure.
  • Partijen die aanvankelijk niet met elkaar wensen geconfronteerd te worden, en, bij manier van spreken, niet door dezelfde deur kunnen, kunnen toch een bemiddeling opstarten.
  • Vele problemen van agenda, en keuze van locatie voor de bemiddeling worden meteen voorkomen. De partijen werken aan hun bemiddeling vanuit hun vertrouwde omgeving en volgens hun agenda.
  • Het probleem van de aanwezige afwezige (de persoon die niet aan de bemiddelingstafel zit maar achteraf wel advies of zelfs goedkeuring moet geven) wordt meteen opgelost. De partijen reageren in het kader van het bemiddelingsproces in aanwezigheid van om het even wie die zij daar bijvoorbeeld als adviseur willen bij zich hebben.
  • Partijen kunnen in alle rust hun antwoorden voorbereiden en hiervoor gebruik maken van de documentatie waarover zij beschikken.
  • ….

Het is ook niet zo dat de keuze moet gemaakt worden tussen óf een klassieke mediatie óf een e-mediatie. Heel dikwijls bereiken wij ook successen met een hybride mediatie die bijvoorbeeld aanvangt als een e-mediatie en plenair eindigt als een klassieke mediatie.

E-mediation is met andere woorden geen tovermiddel maar wel, voor wie er zich als bemiddelaar wil op toeleggen, een heel handig instrument dat ook comfort biedt aan de partijen.

Dirk Van de Gehuchte
Erkend bemiddelaar
Voorzitter vzw Medvocat
Partner Portelio Advocaten

d.vandegehuchte@portelio.be

Afschaffen van de pijlers en toch weer niet echt

Tot in de laatste rechte lijn naar wat titel 7 van de wet van 18 juni 2018 zou worden, voorzag het wetsontwerp in het afschaffen van de gekende pijlers: bemiddeling in familiezaken, bemiddeling in burgerlijke en handelszaken en bemiddeling in sociale zaken.
Uiteindelijk werden de pijlers niet met zoveel woorden terug ingevoerd, maar wordt wel geëist dat wie voor erkenning als bemiddelaar in de zin van het gerechtelijk wetboek in aanmerking wil komen een bijkomende specialisatie moet volgen en slagen voor de examens.
Tijdens de parlementaire bespreking van het wetsvoorstel uitten zowel een aantal specialisten als kamerleden de bezorgdheid dat meer bepaald in familiezaken pas (en minder pas) opgeleiden zich niet voldoende bewust zouden zijn van de uitdagingen die het bemiddelen in deze zaken inhield.
Als gevolg hiervan werden de tot dan toe voorziene opleidingsvereisten gewijzigd.

Voortaan wordt geëist “een theoretische opleiding, met inzonderheid een juridische component, en praktische vorming in bemiddelingsvaardigheid en het bemiddelingsproces, waarbij de focus ligt op de algemene en specifieke kennis en competenties eigen aan een bijzonder domein van de bemiddelingspraktijk in de zin van dit Wetboek en geslaagd zijn voor de desbetreffende evaluatieproeven.” (art. 1726 §1, 2° Ger. W.)
Kortom: geen pijlers wel een basisopleiding gevolgd door één specialisatie.
Meteen stelt zich de vraag naar de verhouding tussen basisopleiding en specialisatie.
Voor de minister van Justitie gaat het hier om twee van elkaar te onderscheiden opleidingen.
Op een in de Kamercommissie Justitie gestelde vraag antwoordde hij duidelijk en ondubbelzinnig dat een basisopleiding die is voltooid voor 1 september 2019 onder de oude wetgeving valt, maar dat voor de noodzakelijke specialisatie-opleiding de nieuwe regels zullen gelden.
Kandidaten die deels gebruik maken van de oude regeling en deels van de nieuwe regeling zullen hun erkenning moeten aanvragen voor 1 september 2020 (combinatie standpunt minister met de overgangsbepalingen vervat in art. 239 van de W. 18 juni 2018)
De nieuwe wetgeving maakt een aangepaste opleiding noodzakelijk die rekening houdt met wet en de in het parlement ge-uitte bezorgdheden over de kwaliteit van bemiddelaars die wensen te bemiddelen in familiale zaken.
Bovendien werd in de kamer gesteld dat tegenover de bescherming van het beroep een garantie van kwaliteit dient te staan.
Eind maart werd een tweede en voorlopig laatste versie van het programma van vernieuwde opleiding aan de opleidingsinstituten gestuurd.
Voorzien wordt een basisopleiding van minimum 100 uur, gevolgd door een specialisatieopleiding van minimum 60 uur voor wie familiale bemiddeling als specialisatie kiest en 30 uur voor andere specialisaties.
De verplichting naast een basisopleiding ook een specialisatie te volgen heeft aldus de minister, niet tot gevolg dat deze specialisaties kunnen leiden tot wat hij deelmonopolies noemt. Elk erkend bemiddelaar mag en kan bemiddelen in alle materies.

Het beroep van erkend bemiddelaar in de zin van het gerechtelijk wetboek wordt beschermd en strafrechtelijk gesanctioneerd in artikel 227quater van het strafwetboek. Deze bescherming geldt voor de erkende bemiddelaar, niet voor de specialisaties. M.a.w. het beroep van erkend bemiddelaar is beschermd, niet de specialisatie.
Opdat geen erkende bemiddelaar zich zou wagen op een terrein dat hij niet beheerst, rekent de minister op een strenge deontologie.
Bemerk dat door de wijzigingen aan artikel 1726 §1 van het gerechtelijk wetboek de vereiste voor erkenning: ‘op grond van een in het heden of in het verleden uitgeoefende activiteiten doen blijken van een bekwaamheid die door de aard van het geschil is vereist’ is weggevallen.
Deze vereiste is wel vertaald in de Gedragscode door de FBC uitgevaardigd bij beslissing van 18 oktober 2007 https://www.fbc-cfm.be/sites/default/files/content/explorer/Gedragscode.pdf. Deze gedragscode blijft gelden tot een nieuwe Deontologische code door de bevoegde commissie is uitgewerkt en door de Algemene vergadering van de Federale bemiddelingscommissie is goedgekeurd.
Tenslotte stelt zich de vraag of het afschaffen van de pijler bemiddelaar in familiezaken invloed zal hebben op B.T.W.-vrijstelling die tot nu geldt.
Hoe de B.T.W.- administratie zal reageren op de gewijzigde wet is niet te voorspellen. Inhoudelijk verandert er niets aan de taak van een bemiddelaar die optreedt in familiezaken. Enkel de titel vervalt. Ter herinnering: de vrijstelling toegekend aan de bemiddelaar in familiezaken catalogeert de activiteiten van een bemiddelaar in familiezaken als gezinsvoorlichting en acht op die basis de uitzondering, voorzien bij artikel 44 §2, 5e B.T.W.- wetboek, van toepassing. (Beslissing nr. E.T.111.653 dd. 22.09.2006)

Maria Leentje Hozée
Advocaat en erkend bemiddelaar
Vennoot Vandeputte & Hozee BVBA

Motivering van de omvang van de onderhoudsbijdrage

Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek, van het gerechtelijk wetboek en van de wet van 19 maart 2010 tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen.: Nu ook rechtvaardiging van het bedrag van de onderhoudsbijdrage in de overeenkomsten over onderhoudsbijdragen.

Sedert de wet van 19 maart 2010 moet, behoudens akkoord van de partijen over het bedrag van de onderhoudsbijdrage, in het belang van het kind, de rechterlijke beslissing daaromtrent acht parameters vermelden.

Deze verplichting is er niet alleen wanneer voor het eerst een onderhoudsbijdrage is vastgesteld, ook verhogingen en verlagingen van een eerder toegekende uitkering moeten op basis van deze parameters gemotiveerd worden.

Ook voor overeenkomsten omtrent de onderhoudsbijdrage (alimentatieovereenkomsten, regelingsakte EOT …..), geldt door de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie, die van kracht is sinds 17 januari 2019, dat partijen in de overeenkomst de omvang van de onderhoudsbijdrage moeten verantwoorden.

Deze, wetswijziging heeft gevolgen voor elke overeenkomst tot bepaling van de onderhoudsbijdrage van zowel minderjarige als meerderjarige kinderen. Het bedrag van de onderhoudsbijdrage moet gerechtvaardigd worden op basis van (een deel) van deze parameters, volgens de verklaringen van de partijen..

De acht relevante parameters zijn :

– De aard en het bedrag van de middelen van elk van de ouders
– De gewone kosten waaruit het budget voor het kind is samengesteld
– De aard van de buitengewone kosten en het deel van deze kosten dat elk van de ouders voor zijn rekening dient te nemen
– De verblijfregeling van het kind
– Het bedrag van de kinderbijslag en van de sociale en fiscale voordelen van alle aard die elk van de ouders voor het kind ontvangt
– De inkomsten die elke ouder ontvangt uit het genot van de goederen van het kind
– De bijzondere omstandigheden van de zaak

Het is de bedoeling dat het grote kader waarbinnen de omvang van de onderhoudsbijdrage werd overeengekomen, wordt weergegeven.

Zekerlijk wanneer er bijzondere omstandigheden zijn, is het belangrijk dat deze vermeld worden.

Wanneer de onderhoudsbijdrage bijvoorbeeld lager ligt omdat de andere ouder ook nog bijstand of onderhoud in natura verstrekt, dan is het wenselijk dat dit in de overeenkomst aangegeven wordt.

Ook als partijen afzien van een onderhoudsbijdrage, dienen de parameters, die van toepassing zijn bij de totstandkoming van de overeenkomst, terug te vinden te zijn.

De motivering is belangrijk indien partijen achteraf een conflict over de onderhoudsbijdrage aan de rechter willen voorleggen..
.
Het is van belang om in de overeenkomst uitdrukkelijk voorbehoud te maken voor het voorwaardelijk karakter van de afspraken.
Wanneer zich een wijziging, op basis van gewijzigde omstandigheden opdringt, dan zal net, het weergeven van de belangrijke parameters, toelaten dat er een vergelijking mogelijk is tussen de oorspronkelijke omstandigheden en deze op het moment van het verzoek tot wijziging.

Sommige rechtbanken, zoals de Familierechtbank te Leuven, hebben een lijst voorzien die dient ingevuld te worden bij het neerleggen van een verzoekschrift EOT en bij elke vraag tot homologatie van een desbetreffend akkoord, tenzij elementen ervan zijn opgenomen in de overeenkomst of conclusie.

Er wordt in de wet niet gesteld dat alle parameters moeten worden aangehaald, ook de motivering van de rechterlijke uitspraken gebeurt in de praktijk niet altijd op basis van de 8 parameters.

Het zal er dus vooral op aankomen de doorslaggevende elementen, die geleid hebben tot de begroting van de onderhoudsbijdrage, aan te geven.

Noëlla Viaene
Advocaat
Erkend bemiddelaar
Bestuurder MEDVOCAT vzw